"Snappen" Example Sentences
1. Ik snap niet wat je bedoelt.
2. Kun je het even uitleggen? Ik snap het niet.
3. Hij snapte mijn grap niet.
4. Snap je wat ik bedoel?
5. Ik snap niet waarom je zo boos bent.
6. Zij snapte wel meteen wat er aan de hand was.
7. Als je niet oplet, snap je het niet.
8. Ik hoop dat je het snel zult snappen.
9. Ik snap niet hoe hij het voor elkaar heeft gekregen.
10. Snap je waarom ik het zo belangrijk vind?
11. Ze heeft eindelijk gesnapt wat er aan de hand was.
12. Kun je even de essentie van het verhaal samenvatten? Dan snap ik het beter.
13. Als je niet oplet, gaat het aan je neus voorbij. Dan snap je achteraf niet wat er gebeurd is.
14. Ik snap niet waarom hij zo'n hekel aan me heeft.
15. Snap je waarom ik zo enthousiast ben?
16. Ik snap wel dat je het moeilijk vindt.
17. Ze snapte niet waarom hij boos was.
18. Snap je waarom ik het zo spannend vind?
19. Ik snapte de grap pas toen hij al bijna uitgelachen was.
20. Hij snapte niet hoe belangrijk het voor mij was.
21. Snap je hoeveel werk dit is?
22. Ik snapte niet wat hij bedoelde met die opmerking.
23. Het duurde even voordat ik het snapte.
24. Ik snap niet waarom hij zo weinig voorbereidingstijd nodig heeft.
25. Ze snapte niet hoe druk ik het had.
26. Het duurde even voordat ze snapte dat het een grap was.
27. Snap je hoe moeilijk dit is?
28. Ik snap niet waarom hij zo aardig tegen me doet.
29. Ik snap wel waarom hij zo populair is.
30. Ze snapte niet hoe ik zo snel kon leren.
Common Phases
1. Ik snap het niet;
2. Hij snapte mijn grap niet;
3. De sleutel snapte in het slot;
4. Zij snapte direct wat ik bedoelde;
5. Ik snapte zijn argumenten niet;
6. Hij snapte niet dat hij fout zat.